Een man is in 2019 en 2020 in loondienst. Zijn werkgever bestelt op 28 januari 2019 een volledig elektrische auto, die op 20 januari 2020 wordt geleverd en op 24 januari 2020 op naam wordt gesteld. In zijn aangifte inkomstenbelasting 2020 geeft de man een bijtelling van 4% aan voor het privégebruik van de auto. De inspecteur wijkt hiervan af en verhoogt de bijtelling naar 8%.
Inbreuk op eigendomsrecht
De man betoogt dat de verlaging van de bijtellingskorting voor nulemissieauto's van 18 naar 14% per 1 januari 2020 een ongeoorloofde inbreuk maakt op zijn eigendomsrecht. Hij verwachtte 18% korting bij de bestelling in 2019, gebaseerd op openbare communicatie van de Rijksoverheid en de Belastingdienst. De snelle invoering van de verminderde bijtellingskorting benadeelde hem, omdat hij geen mogelijkheid had om te kiezen voor een auto met een kortere levertermijn.
De rechtbank verwijst naar een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 maart 2026. Hierin is geoordeeld dat de wetgever de gevolgen voor reeds gecommitteerde groepen heeft meegewogen. De wetgever beoogde oversubsidiëring te voorkomen, marktontwikkelingen te volgen en de tweedehandsmarkt te stimuleren. De rechtbank concludeert dat de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsmarge is gebleven. De verlaging van de bijtellingskorting vormt geen ongeoorloofde inbreuk op het eigendomsrecht.
Vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel
De man meent ook dat de verlaging van de bijtellingskorting leidt tot schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat er geen expliciete toezegging was dat de korting 18% zou blijven in 2020. Eventuele impliciete toezeggingen zijn gedaan door de staatssecretaris van Financiën in zijn hoedanigheid van medewetgever, niet als uitvoerder van de belastingwet. Burgers kunnen doorgaans niet redelijkerwijs verwachten dat belastingwetgeving ongewijzigd blijft.
Discriminatieverbod
De man voert tot slot aan dat de verlaging van de bijtellingskorting het discriminatieverbod schendt. Degenen die vóór juni 2019 een auto met lange levertijd bestelden, worden zwaarder belast dan degenen die na die datum een auto met kortere levertijd bestelden. De rechtbank overweegt dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft. Zelfs als sprake zou zijn van gelijke gevallen, bestaat een objectieve en redelijke rechtvaardiging om deze gevallen verschillend te behandelen. Deze rechtvaardiging is gelegen in het feit dat de verlaging van de bijtellingskorting afhankelijk is gesteld van de datum van tenaamstelling van de auto en de wens van de wetgever om oversubsidiëring van nulemissieauto's te voorkomen.