Een man ontvangt in 2022 een voorschot huurtoeslag van € 4.024. Later stelt de Dienst Toeslagen de huurtoeslag definitief vast op nihil. Dit besluit is gebaseerd op de inkomstenbelastingaanslag over 2022, waarin het vermogen van de man is vastgesteld op € 39.433. De man maakt bezwaar tegen de terugvordering van de huurtoeslag. De Dienst Toeslagen wijst dit bezwaar af en stuurt het door naar de inspecteur. De inspecteur behandelt het bezwaar als gericht tegen de aanslag inkomstenbelasting en verklaart het niet-ontvankelijk wegens een gebrek aan procesbelang. De man stapt hierop naar de rechtbank.
Vermogenstoets huurtoeslag
Het bezwaar van de man was gericht tegen de huurtoeslagbeschikking, niet tegen de inkomstenbelastingaanslag. De rechtbank oordeelt daarom dat de inspecteur het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en vernietigt de uitspraak van de inspecteur. Echter, het bezwaar van de man tegen de huurtoeslag wordt door de rechtbank ongegrond verklaard. De man had in 2022 een vermogen dat boven de drempel van € 31.747 ligt die voor de huurtoeslag geldt. De Wet rechtsherstel box 3, waar de man zich op beroept, heeft geen invloed op de vermogenstoets voor de huurtoeslag, omdat deze wet alleen de berekening van het fictieve rendement beïnvloedt, niet de grondslag van het vermogen zelf. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Niet bevoegd
De man gaat in hoger beroep bij het hof. Hij stelt dat de Wet rechtsherstel box 3 wel moet doorwerken naar de vermogenstoets voor huurtoeslag, waardoor hij recht zou hebben op het ontvangen bedrag. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank, maar op andere gronden. Het hof stelt vast dat de man de aanslag inkomstenbelasting en de daarin vastgestelde rendementsgrondslag van € 39.433 niet zelfstandig heeft aangevochten. Bovendien is de belastingrechter niet bevoegd om te oordelen over een geschil over de huurtoeslagbeschikking zelf. De toeslagbeschikking ligt niet voor in deze procedure.